Activiteit met grensoverschrijdende effecten – opgelet!

Article
NL Law

Vlaanderen heeft een programmatische aanpak stikstof. Onderdeel daarvan was dat activiteiten met een depositiebijdrage van minder dan 5% van de kritische depositiewaarde doorgang konden vinden. Dit omdat onder die drempel geen sprake zou zijn van een significante impact. Deze drempel kan echter niet meer gehanteerd worden na Vlaamse rechtspraak en in Nederland is op 20 oktober 2021  geoordeeld dat dit ook gevolgen heeft voor Nederlandse activiteiten die gevolgen kunnen hebben op Vlaams grondgebied. 

Uitspraak windpark De Pals

Op 3 december 2019 verleende het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (GS) een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) aan Windpark De Pals B.V. De Wnb-vergunning verleende GS voor het bouwen en in werking hebben van windpark De Pals, een windpark van vier windturbines, in Bladel.

Het gebied van de windturbines ligt in de buurt van de natuurgebieden "Valleigebied van de Kleine Nete", "De Ronde Put" en "De Zegge", gelegen in Vlaanderen. De Vlaamse Regering heeft deze drie gebieden aangewezen als een Natura 2000-gebied. Voor het gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor onder meer een aantal vleermuizensoorten, de nachtzwaluw, de bruine kiekendief en de wespendief. De afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied bedraagt ongeveer 300 m.

Bij de bouw van een windpark komt stikstofemissie vrij, vooral vanwege het transport van de windturbineonderdelen en het opbouwen van de windturbines. GS had dan ook de effecten van de bouw van windpark De Pals in kaart gebracht. GS stelde dat er zich, op basis van het in Vlaanderen geldende toetsingskader, geen significant negatief effect zou voordoen op het Natura 2000-gebied. Daarbij heeft GS verwezen naar AERIUS-berekeningen. Daaruit blijkt dat voor stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied sprake is van een bijdrage van stikstofdepositie in de aanlegfase. Het gaat om een bijdrage van 0,11 mol. Volgens het toen geldende Vlaamse systeem werd een bijdrage van minder dan 5% voor de depositie van stikstofoxiden gezien als niet significant.

Het Vlaamse systeem hield kort gezegd in dat dat er geen sprake kan zijn van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones, omdat de maximale bijdrage van de bedrijfsemissies aan de KDW onder de 5% blijft en er volgens de “praktische wegwijzer” onder die 5%-drempel geen sprake is van een significante impact.

In het arrest van 25 februari 2021 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (nr. RvVb A/2021/0697) heeft de Raad geoordeeld dat het louter verwijzen naar het Vlaamse PAS-significantiekader en de daarin opgenomen drempelwaarden  niet in overeenstemming is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat GS er niet van kon uitgaan dat de methode voor de beoordeling van de gevolgen van de toename van stikstofdepositie in het Vlaamse Natura 2000-gebied in overeenstemming is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd en de Afdeling vernietigt de Wnb-vergunning dan ook. Dit is de eerste Nederlandse uitspraak waar de gevolgen van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen meegenomen zijn.

Activiteit met stikstof- of ammoniakemissie nabij de grens met Belgie of Duitsland – wat nu?

Omdat effecten van activiteiten zich weinig aantrekken van landsgrenzen, is het logisch dat onderzocht moet worden of die effecten acceptabel zijn.

Het is gebruikelijk dat voor een activiteit met grensoverschrijdend effect gebruik wordt gemaakt van het beoordelingskader van het betreffende land. Zo kon voor de overnachtingshaven bij Lobith een Nbw-vergunning worden verleend, onder meer omdat het Duitse beoordelingskader dat toestond (ABRvS 4 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2020:682). Een Wnb-vergunning voor een uitbreiding en wijziging van een mestverwerking nabij België kon verleend worden, omdat de vergunningverlener een methode gebruikt die in overeenstemming is met het Vlaamse systeem voor de beoordeling van de gevolgen van stikstofdepositie (ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:872).

Naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak over De Pals en het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, kan dus niet meer naar het Vlaamse (oude) systeem worden verwezen. In afwachting van een definitieve stikstofaanpak heeft de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme op 2 mei 2021 een instructie gegeven. Die instructie biedt adviserende overheden een reeks richtlijnen die kunnen worden aangewend bij de voorbereiding van vergunningsbeslissingen en adviezen. Voor de definitieve stikstofaanpak wordt overigens een passende beoordeling opgesteld.

De instructie maakt een onderscheid tussen de stikstof- en ammoniakuitstoot. Voor stikstofuitstoot wordt de drempel, die vroeger op 5% stond, naar 1% verlaagd. Een project met een depositiebijdrage lager dan 1% moet in principe geen passende beoordeling maken, maar alle projecten boven die 1% moeten dat wel doen. Voor de ammoniakuitstoot van veehouderijen en mestverwerkers werd beslist dat er voor ieder project, voor iedere vergunning een individuele passende beoordeling is vereist om na te gaan of er een significant negatieve impact is. Een nieuwe activiteit nabij een Vlaams Natura 2000-gebied zou dus gebruik kunnen maken van de instructie van de Vlaamse minister. Een grenswaarde kan gehanteerd worden en het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dat het aan de lidstaat is om te beoordelen of een vrijstelling door middel van een drempelwaarde tot de mogelijkheden behoort (HvJEU 7 november 2018, C-293/17 en C-294/17, ECLI:EU:C:2018:882). 

Europees overleg

Net als Nederland is Vlaanderen dus bezig een nieuw stikstofbeleid op te zetten. Het zou wat mij betreft goed zijn als hierover op Europees niveau overleg over is en mogelijk zelfs beleid wordt opgesteld. Omdat stikstofdepositie van Nederlandse activiteiten in buurlanden effect heeft en omgekeerd, zou een afgestemde aanpak het natuurherstel en de economie ten goede komen.