Zevende tranche Besluit uitvoering Chw: anticiperen op het omgevingsplan met bestemmingsplan met verruimde reikwijdte

Op 14 juni 2013 heeft minister Schulz het ontwerpbesluit van de zevende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet aangeboden aan de Tweede Kamer (hierna: “het Besluit”). In het Besluit is onder meer vastgesteld dat een aantal gemeenten kunnen experimenteren met het bestemmingsplan met bredere reikwijdte (“BmBR”). Daarmee krijgen deze bestemmingsplannen het karakter van het omgevingsplan onder de nieuwe Omgevingswet. De gemeenten die met het BbBR gaan experimenteren zijn Almere, Assen, Culemborg, Den Haag, Enschede, Weesp en Zaanstad.De reikwijdte in het BmBR is niet “beperkt” tot de goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wro), maar wordt verbreed tot (i) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (ii) het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Door de eerste verbreding kunnen bijvoorbeeld regels op het gebied van milieu in het BmBR worden opgenomen. Deze verbreding komt overeen met artikel 4.1 lid 1 conceptvoorstel Omgevingswet (“Omgevingswet”). Door de tweede verbreding kunnen regels die betrekking hebben op bijvoorbeeld openbare orde en veiligheid en die in een APV zijn opgenomen, in een BmBR worden opgenomen. Alleen regels die in het geheel geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving (bijvoorbeeld concurrentiebepalingen) mogen niet worden opgenomen. Deze verbreding komt overeen met artikel 4.2 lid 2 Omgevingswet.

Daarnaast kent een BmBR een planperiode van twintig jaar in plaats van tien jaar en wordt de termijn voor een voorlopige bestemming opgetrokken van vijf jaar naar tien jaar. Dit vergemakkelijkt het bestemmen van langer lopende projecten. Dat is nog meer het geval, omdat de uitvoerbaarheid van een BmBR niet hoeft te worden aangetoond: het Besluit voorziet erin dat de raad bij het vaststellen van een BmBR kan afwijken van artikel 3.1.6 lid 1 onder f Bro. Ook praktisch is dat – indien van toepassing – de raad kan besluiten dat een exploitatieplan pas wordt vastgesteld bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen en niet al tijdens de vaststelling van het BmBR. Verder kan de raad in het BmBR bepalen dat geen recht op tegemoetkoming in de planschade bestaat ingeval van het verval van planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden die gedurende ten minste drie jaar ongebruikt zijn gebleven. Ook kan via het BmBR de maximale geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen eenvoudiger worden verhoogd ten opzichte van de Wgh en het Bgh. Verder wordt in het Besluit aangehaakt bij artikel 8.42b Wm, waardoor gebiedsgerichte milieuvoorschriften kunnen worden opgenomen in het BmBR. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van artikel 2.19 Barim en na de totstandkoming van de modelverordening van de VNG voor deze bepaling kan in het BmBR worden afgeweken van de grenswaarden opgenomen in artikel 2.17 Barim.

Tot slot krijgt de gemeenteraad de bevoegdheid om het aanpassen van planonderdelen te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders met de mogelijkheid deze bevoegdheid in te kaderen. Dit houdt een ruimere bevoegdheid voor het college in dan thans het geval is onder vigeur van de Wro. Het college kan nu immers gebruik maken van bijvoorbeeld uitwerkings- en wijzigingsplannen en binnenplanse vrijstellingen, welke in de wet vrij strikt zijn geregeld.

Het ontwerpbesluit is nu naar de Tweede Kamer gestuurd voor reactie (‘voorhangprocedure’). Daarnaast zal de Raad van State over het besluit adviseren. Zodra de zevende tranche definitief is vastgesteld en in werking is getreden, zullen wij u hierover in deze nieuwsbrief nader berichten.


Jan van Oosten
Alle posts van Jan van Oosten

Share on LinkedInShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone