Passanten openbare weg géén belanghebbende bij cameratoezicht

Op 21 februari 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling“) een uitspraak gewezen over het belanghebbende-begrip in verband met cameratoezicht. De Afdeling oordeelde dat appellante geen belanghebbende is bij een verzoek tot handhaving ter verwijdering van beveiligingscamera’s langs de openbare weg die zij regelmatig passeert in verband met familiebezoek. Ook het door appellante ingeroepen grondrecht van artikel 8 EVRM – het recht op eerbiediging van het privéleven – maakt in dit geval niet dat zij wel belanghebbende is. Vandaar dat de gemeente het handhavingsverzoek van appellante terecht heeft afgewezen. In dit blogbericht bespreken wij de uitspraak, de betekenis daarvan voor de jurisprudentie omtrent het belanghebbende begrip en we sluiten af met een tip voor de praktijk.

De zaak en de rechtsvraag

Appellante verzocht de gemeente om beveiligingscamera’s die geplaatst waren langs de openbare weg nabij een industrieterrein te verwijderen vanwege vermeende overtreding van de privacywetgeving. Appellante reed in verband met familiebezoek geregeld met haar auto langs de camera’s. Op basis van die beelden werden kentekens gedurende een beperkte periode vastgelegd. In hoger beroep staat de vraag centraal of een regelmatige passant van camera’s een belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb en een verzoek om handhaving kan indienen. Voor een dergelijk verzoek is op grond van artikel 1:3 lid 3 Awb namelijk vereist dat degene die de aanvraag indient belanghebbende is. Op grond van dit artikel is een belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Bespreking uitspraak

Ter beantwoording van de vraag of appellante belanghebbende is, onderzoekt de Afdeling of sprake is van een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel voldoende zeker en direct geraakt belang. De Afdeling oordeelt dat appellante niet kwalificeert als belanghebbende. Aangezien appellante geen belanghebbende is, kon zij geen verzoek indienen tot handhavend optreden en daarmee om verwijdering verzoeken van de camera’s langs de openbare weg. De Afdeling motiveert haar uitspraak als volgt.

In de eerste plaats constateert de Afdeling dat appellante geen persoonlijk belang (Afdeling spreekt over bijzonder individueel belang) bij haar handhavingsverzoek heeft, omdat  zij  zich onvoldoende onderscheidt van andere weggebruikers ter plaatse. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat appellante:

  • niet woont of werkt in het gebied waar de camera’s zijn geplaatst;
  • niet duurzaam in het gebied verblijft; en
  • geen grondpositie heeft in het gebied.

Het enkele feit dat appellante de camera’s vanwege familiebezoek regelmatig passeert, is dus onvoldoende om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb te kwalificeren.

In de tweede plaats beoordeelt de Afdeling of appellante een direct geraakt belang heeft vanwege haar beroep op het grondrecht van artikel 8 EVRM dat ziet op de eerbieding van haar privéleven. Ook daarvan is geen sprake volgens de Afdeling. De Afdeling oordeelt, met verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat normaal gebruik van beveiligingscamera’s op straat niet zonder meer leidt tot een ongeoorloofde inmenging in het privéleven. Relevant daarbij zijn de volgende omstandigheden:

  • de redelijke verwachting van een persoon dat zijn privéleven in de publieke ruimte in het geding is;
  • in hoeverre de gegevens een bepaalde persoon betreffen; en
  • in hoeverre de gegevens worden verwerkt en gebruikt en of ze worden gepubliceerd op een wijze die verder gaat dan wat gewoonlijk voorzienbaar is. Daarbij is de duur van de opslag van belang.

De Afdeling past deze factoren toe op de zaak en concludeert dat geen sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht op het privéleven van appellante. Onder meer acht de Afdeling van belang dat het cameratoezicht plaatsvindt in een beperkt gebied (rondom een industrieterrein). Cameratoezicht is voorzienbaar, omdat passanten met borden worden gewaarschuwd. De opnames worden slechts korte tijd (zeven dagen) bewaard en daarna automatisch vernietigd. Volgens de Afdeling leidt het beroep op artikel 8 EVRM in dit geval niet tot een ruimere uitleg van het belanghebbendebegrip van artikel 1:2 Awb. Gelet daarop kon appellante geen verzoek tot verwijdering van de camera’s indienen.

Tip voor de praktijk

Wellicht dat appellante in kwestie een andere weg had moeten kiezen die mogelijk tot meer succes had geleid. Uit de uitspraak blijkt dat zij vraagtekens zette bij de wijze waarop de gemeente met de vastlegging van de beelden om zou gaan en daarmee de verwerking van haar persoonsgegevens. Appellante had zich met een verzoek tot handhavend optreden mogelijk beter kunnen wenden tot de Autoriteit Persoonsgegevens (“AP“). Weliswaar speelt ook dan de vraag of appellante belanghebbende is, maar de AP had op basis van de melding van appellante ook ambtshalve onderzoek kunnen instellen naar de naleving door de gemeente van de destijds geldende privacywetgeving (sinds mei 2018 de Algemene Verordening Gegevensbescherming). Als de AP  zou hebben vastgesteld dat de verwerking van de camerabeelden in strijd was met de privacywetgeving dan had dat tot aanpassing van de verwerking van de opnames kunnen leiden al dan niet als gevolg van de inzet van handhavingsinstrumenten door de AP. Ten aanzien van het cameratoezicht (op openbare plaatsen) is overigens de nodige informatie te vinden op de website van de AP.

Het bericht ‘Passanten openbare weg géén belanghebbende bij cameratoezicht‘ is een bericht van Stibbeblog.nl.


Christien Saris
Alle posts van Christien Saris

Ivar Koudstaal
Alle posts van Ivar Koudstaal
Share on LinkedInShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone